VALKERIJ

 

VALKENIERSTERMEN

 

Roofvogelsinaktie.nl

Geschiedenis van de valkerij

Valkeniersmaterialen en -technieken

Valkenierstermen

Soorten roofvogels

Verzorgen van roofvogels

Trainen van roofvogels

Jacht en overlastbestrijding

Falconry Experience / Workshop

Valkerij voor Kids

Weetjes en video's

Websites

Contact

 

NEDERLANDSE UITDRUKKINGEN UIT DE VALKERIJ.

 

- Iemand een loer draaien. (iemand voor de gek houden)

- Hij zit te tobben. (een valkenvanger zat vaak dagen achtereen in een plaggenhut, de tobhut)

- Van de hak op de tak springen. (in een gesprek zonder rede van het ene onderwerp op het andere onderwerp overgaan)

 

BEGRIPPEN UIT DE VALKERIJ.

 

A

Aanleggen: Jachtvogel trainen op een bepaalde wildsoort.

Aanspreken: Het wild zien en bepalen of er gejaagd mag/kan worden en er dan de vogel opzetten

Aansteken: Zie "stiften"

Aansteeknaald: Naald van metaal, glasvezel of bamboe, vaak driehoeking, die gebruik wordt om gebroken veren te herstellen.

Aanwachten: Wanneer een valk hoog boven de valkenier gaat vliegen en pas aanvalt in duikvlucht wanneer een prooi wordt opgejaagd.

Aas: Het vlees dat men een roofvogel te eten geeft.

Aasnagel: Zie "Talon".

Afazen: De roofvogel de rest van het voedsel geven na een training of jacht.

Afdragen: Het "tam" maken van roofvogels door ze veel te dragen.

Afstrijken: Wegvliegen

Afvliegen: Proberen van de vuist of zitplaats weg te vliegen.

Appél: De snelheid waarmee een roofvogel komt als deze "teruggeroepen" wordt.

Aylmeri (Nederlands): schoentjes en kortveters (uitgevonden door majoor Guy Aylmer).

Aylmeri (Belgisch): manchet en schoentjes (uitgevonden door majoor Guy Aylmer).

 

B

Baard: Donkere streep van veren onder de ogen van een valk.

Balg: Immitatieprooi van haarwild. Bedoeld voor training en appèl.

Bekleden: Het aanleggen van schoenen en bellen bij de vogel

Bewits: Leren riempje om een bel mee aan de poten vast te maken.

Bidden: Het ter plaatse blijven hangen in de lucht.

Binden: Grijpen of vasthouden van een prooi, balg of loer tot op de grond.

Blaatvalk: Lannervalk / "Blauwe poot", meestal duidend op Geer- of Sakervalk

Bloedpen: Nieuwe nog niet volgroeide veer waarbij er nog bloed in de schacht zit.

Blok: Ronde, verhoogde zitplaats voor roofvogels (meestal valken).

Blood feather (Engels): Zie "Bloedpen".

Boog: Zie: Sprengel

Bloom (Engels): Gezonde poederige glans op de vegen die een gezonde toestand aangeven.

Braakbal: Haar, veren, beentjes en ander onverteerbaar materiaal dat enige tijd na de maaltijd wordt uitgebraakt door de roofvogel.

Broadwing (Engels): Buizerds en arenden

Brauwen: Voordat de huif gebruikt werd maakte men gaatjes in de oogleden die met een dun draadje dat onder of boven de kop werd vastgeknoopt konden worden gesloten

Breel: In de lengte doorsneden lederen riempje dat om de vleugel (elleboogsgewricht)van een onrustige valk wordt geschoven zodat deze de vleugels niet meer kan uitslaan.

Broek: Veren bekleding aan de buitenzijde loopbeen. Functioneel bij afremmen van  de vogel en ter verwarming bij opgetrokken poot.

Bumblefoot: Bacteriële infectie, meestal onder de klauw.

 

C

Cagie: Traditioneel rechthoekig rek die gedragen kan worden om jachtvogels in het veld te vervoeren.

Casting jacket: "Dwangbuis" voor roofvogels. Wordt gebruikt als er bepaalde handelingen aan de vogel moeten worden uitgevoerd.

Coverts (Engels): Veren op de primaire en secundaire veren en veren op de staartveren.

Crèche-reared imprint: Roofvogel die vanuit het ei met de hand zijn grootgebracht, maar met soortgenoten bijeen zaten. Deze vogels worden vaak laners.

Crural (Engels): Zie "Broek".

 

D

Deck(feathers) (Engels): Zie "Dekveren".

Dekveren: De twee middelste staartveren.

Doorgang: Het onder veerwild doorschieten en weer opstijgen van een valk.

Draal: Twee aan elkaar bevestigde roestvrijstalen ringetjes die t.o.v. elkaar kunnen draaien. Aan de draal worden de riempjes en de langveter vastgemaakt.

Duale imprint: Roofvogels die door pleegouders is grootgebracht. Er is sociale interactie met de kweker.

Duimvleugel: Allereerste (erg korte) primaire vleugelveer. Geven extra lift geven bij lage vliegsnelheden.

 

E

F

Fret marks (Engels): Zie "Hongermerken".

Fretteren: Een fret gebruiken om konijnen uit hun holen te jagen

Fitten: Herstellen van gebroken veren

Fretmerken: Zie "Hongermerken".

Frons: Aandoening van keel en luchtpijp.

Full summed (Engels): Zie "Uitgemuit".

 

G

Gewel: Zie "Braakbal".

 

H

Haarwild: Wild met een vacht.

Hacken: Een jonge roofvogel een tijdje loslaten in de natuur. Meestal wordt de vogel op een vaste plaats bijgevoerd.

Hagert: Zie "Haggard".

Hagard: Zie "Haggard"

Haggard: Wilde vogel die minstens een maal heeft gemuit in de natuur.

Hakbord: Voederplaats voor jonge roofvogels die een tijdje worden losgelaten in de natuur.

Hand: klauwen van de valk heten hand en die van de havik voet.

Hard penned (Engels): Uitgegroeide veer waaruit de bloedtoevoer is gestopt.

Havikier: Iemand die jaagt met een havikachtige

Heffen: Zwaar hijgen door benauwdheid.

Hoge vlucht: Jacht met een valk.

Hongermerken: Zwakke plekken in veren door tijdelijk stress zoals voedselgebrek.

Hoog: Weldoorvoed

Hoogrek: Zitplaats voor roofvogels voor binnenshuis. Wordt meestal gebruikt in het begin van hun training.

Horst: Nest van een roofvogel.

Huif: Kapje voor over de kop van roofvogels. Dient om roofvogels rustig te houden.

Hybride: Kruising tussen twee roofvogelsoorten.

 

I

Imping (Engels): Zie "Stiften".

Imping needle (Engels): Zie "Aansteeknaald".

Imprint (100%): Roofvogel die met de hand is grootgebracht zonder contact met soortgenoten maar wel in sociale interactie met de kweker. Vaak vogels met schreeuwgedrag.

 

J

Jachtgewicht: Gewicht waarbij jachtvogels de beste "jachtspirit" hebben.

 

K

Kagie: Zie "Cagie".

Klapekster: Grauwe klauwier die gebruikt werd bij het invangen van de valken omdat deze vogel de tobbers waarschuwde als er een valk kwam aanvliegen

Kneden: Knijpen met de klauwen om de prooi te doden

Krop: Uitstulping van de slokdarm waarin het voedsel tijdens het eten wordt opgeslagen (uilen hebben geen krop).

Kroppen: Zie "Volazen".

Krijten: zie "Lanen".

Kringen: In cirkels omhoog vliegen.

 

L

Laag: Een ondervoede jachtvogel.

Lage vlucht: Jacht met andere jachtvogels dan valken (b.v. havik, sperwer).

Lanen: Schreeuwen van roofvogels (meestal bij imprintvogels)

Lange lijn: Zie "Vlieglijn".

Langveder: Zie "Langveter".

Langveter: Stuk touw van plm 1 meter waarmee roofvogels kunnen worden vastgezet.

Lanneret: Mannelijke lannervalk.

Leg/Legge: Vangplaats en installatie om roofvogels te vangen.

Loer: Immitatieprooi van veerwild. Bedoeld voor training en appèl.

Loeren: Roofvogels lokken m.b.v. een loer.

Lossen: Het van de vuist laten afvliegen van de jachtvogel.

Losgooien: Zie "Lossen".

Loswerpen: Zie "Lossen".

 

M

Maagsteentjes: Kleine ronde kiezelsteentjes die worden ingeslikt om de vertering te helpen.

Malar stripe (Engels): Zie "Baard".

Malie: Zie "Hongermerken"

Manchetten: Belgische benaming voor de brede leren riempjes rond de poten van roofvogels. (Nederlandse benaming: "Schoentjes").

Mantelen: Het met de vleugels afschermen van voesel en prooi.

Milaan: Wouw.

Moult (Engels): Zie "Muiten"

Muiten: Ruien.

Muithuis: Vertrek waarin jachtvogels tijdens de muit worden geplaatst.

Musket: Mannelijke sperwer.

Muytervalk: Valk die voor de eerste keer heeft gemuit in gevangenschap.

 

N

Nestling: Jonge vogel, als kuiken uit het nest genomen.

 

O

Opstoten: Het opjagen van prooi uit zijn schuilplaats.

Opsteilen: Stijgen

Optuigen:  Vogel voorzien van alle tuigage.

Opvoederen: Zie "Afazen".

 

P

Passagier: Doortrekkende valk tijdens de migratie.

Pen: Veer

Pluim: Zie "Pen".

Pluimage (Engels): Slagpen of staartveer of het hele verenkleed.

Pluimen: Poetsen van de veren door een vogel.

Preening (Engels): Zie "Pluimen".

Primairen: Primaire vleugelveren. Uiterste veren aan de vleugel.

Primaries (Engels): Zie "Primairen".

Principals (Engels): Twee langste veren op de vleugel van een buizerd.

Pygostyle (Engels): Staartbeen dat steun geeft aan de spieren en veren van de staart.

 

Q

R

Reushuif: Huif met een grote opening waardoor de vogel zijn braakbal kwijt kan.

Rivieren: Het zigzaggend afzoeken van het terrein naar wild door een jachthond.

Ruiven: Zie "Muiten"

Rode valk/havik: Valk of havik in jeugdkleed.

Roer: Zie "Loer".

Roesten: Rusten van een roofvogel in staande houding.

Ruiven: Zie "Muiten".

 

S

Sakreet: Mannelijke sakervalk.

Sarcel (Engels): Zie "Duimvleugel".

Schoenen: een roofvogel slaat zijn klauwen in de prooi.

Schoentjes (Nederlands): Brede leren riempjes om de poten van roofvogels (Belgische benaming hiervoor is: "Manchet"). 

Schoentjes (Belgisch): Korte riempjes aan de poten van roofvogels (Nederlandse naam hiervoor is: "Kortveter").

Schudden: De veren lichtjes opheffen en uitschudden.

Secundairen: Secundaire vleugelveren. Liggen naast de primaire veren. Grootste deel van de vleugel.

Secundairies (Engels): Zie "Secundairen".

Shortwings (Engels): Haviken en sperwers

Slaan: Een prooi "slaan" zonder deze te vangen. / Het vangen en doden van een prooi door jachtvogels.

Slippen: Een vogel bij de jacht van de hand lossen.

Smeltsel: Ontlasting van een roofvogel.

Sociale imprint: zie Imprint (100%)

Sok: Valkenzak voor pas gevangen roofvogels.

Spitshuis: Afdak waaronder een roofvogel wordt vastgemaakt; meestel een omgekeerde "V".

Sprengel: Zie "Sprenkel".

Sprenkel: Boogvormige zitplaats voor roofvogels.

Staartbeschermer: Beschermer die m.n. bij havikachtigen om de staartveren wordt gedaan om veerbreuk te voorkomen.

Steekhuif: Een huif met speciaal treksysteem, vaak gebruikt voor een reushuif.

Stiften: Herstellen van afgebroken veren.

Stoten: Zie "Slaan".

 

T

Tableau: Het gejaagde wild aan het eind van een jachtdag volgens vast ritueel uitgelegd.

Takkeling: Een jonge vogel die het nest heeft verlaten maar nog wordt gevoerd door de ouders.

Taleken: Zie "Tarsel".

Talon: Achterste teen van een roofvogel.

Tarsel: Mannelijke roofvogel. De naam is afgeleid van het Franse "tierce" (1/3) omdat mannelijke roofvogels vaak 1/3 lichter zijn dan vrouwelijke roofvogels.

Telemetrie: Zender/ontvangersysteem om weggevlogen roofvogels op te sporen.

Tertsel: Zie "Tarsel".

Tobben: Vangen van valken met slagnetten vanuit de "tobhut".

Tobhut: Hut van waaruit de valkenvanger aan de lijnen van het slagnet kan trekken.

Tracken: Eigenhandig opjagen of losmaken van het wild.

Tail guard (Engels): Zie "Staartbeschermer".

Treinen: Trainen van jachtvogels.

Trossen: Wegvliegen met een prooi, balg of loer.

 

U

Uitgemuit: Voltooide muit.

 

V

Valkenier: Een jager die een afgerichte jachtvogel gebruikt om te wild te vangen. (niet per sé hetzelfde als "roofvogeltrainer").

Valkentand: Verharding in de kromming van de snavel bij valken waarmee vaak de halswervels van de prooi worden doorgebeten.

Valkerij: Het voor de jacht trainen van en het jagen met roofvogels.

Valksor: Valk in zijn eerste verenkleed.

Vangklauw: Zie "Talon".

Vederspel: Zie “valkerij”.

Veerwild: wild met veren.

Vinger: Teen van een roofvogel.

Vlieggewicht: Optimaal gewicht waarbij roofvogels een goed appèl hebben.

Vlieglijn: Lang touw waaraan roofvogels worden gevlogen tijdens het begin vn de training.

Vluchtbedrijf: Zie “valkerij”.

Voedselimprint: Roofvogel die met de hand zijn grootgebracht zonder contact met soortgenoten en zonder sociale interactie met de kweker. Sterke neiging tot lanen, mantelen, agressie en prooi wegdragen.

Volgewicht: Gewicht van een roofvogel nadat deze zich heeft volgegeten.

Volazen: De roofvogel zich laten vol eten.

Voorlaat: Een doorgaans levende prooi die door de valkenier voor de jachtvogels wordt losgelaten om deze het jagen te leren. In Nederland bij wet verboden.

Voorstaan: Wanneer de staande hond de positie van het wild aangeeft.

Vuistvogel: Jachtvogel die vanaf de vuist gevlogen wordt.

 

W

Washuid: De naakte huid rond de bek waarin de neusgaten liggen.

Weidespel: Zie “valkerij”.

Werpriem: Lederen riempje aan de schoen (manchet) vaak zonder slit waardoor de roofvogel niet aan b.v. takken blijft hangen.

Wijf: Vrouwelijke roofvogel

Wildvang: Jonge vogel in het wild gevangen voor de eerste muit.

 

X

Y

Yarak: "Jachtspirit" (Oosterse term).

 

Z

Zeeg maken: Het "tam" maken van een roofvogel.

Zwemen: Valk die zich laat afdrijven, in de termiek gaat vliegen.

Zwemmen: Zie "Bidden".